A fleeting miracle

6 november 2025

Door Renske Willems


Vanuit huis zien we het felblauwe ijsvogeltje razendsnel en behendig het water induiken en een visje vangen. We zien hem vaak, maar het blijft bijzonder en geeft telkens een gevoel van ultiem geluk. To see a kingfisher is to witness a fleeting miracle, a flash of impossible blue, gone before you can believe it.
 
In gedachten dwaal ik af en denk ik aan de nieuwe aarde, aan de zintuigenprikkelende veelkleurige nieuwe schepping. Dat we de uitbundigheid ervan zullen zien, horen, ruiken, voelen en proeven. Ik wil in dat moment blijven, tot het hier en nu me inhaalt, en ik me realiseer dat onze zintuigen ons ook andere boodschappen vertellen. Dat ze ons waarschuwen voor gevaar en ons helpen goed van fout te onderscheiden. Mijn hand beweegt als vanzelf naar de bewuste plek waar ‘voelen’ ineens een andere betekenis kreeg. Het knobbeltje bleek niet goedaardig te zijn. Oktober, Pink Ribbon-maand: het treft mij. 

 

De eerste dagen voelden als de herfststormen Benjamin en Melissa, zonder waarschuwing of weeralarm. Ik herinner me het tegeltje dat in de keuken van het ouderlijk huis hing. ‘God heeft ons geen kalme reis beloofd, maar wel een behouden aankomst’. Het is waar. God belooft geen comfortabel leven, maar Hij is erbij en plaatst mensen om ons heen. Dat zijn mijn broers en zussen die mij biddend omringen. Kinderen van God, die zijn ondergebracht in Zijn Lichaam en als levende bouwstenen de Heilige Geest in hun kern dragen. Dat lichaam is bestand tegen stormen, omdat Jezus het Hoofd is. Dat maakt me sterk en moedig.

 

Lukt het me in dit alles een wonder te zien? Een geestelijke les? Het is deze oktobermaand precies 22 jaar geleden dat ik onderzoek deed naar preventieve mamma-amputatie bij dragerschap. Dat had impact op mij, en ik besloot vanaf dat moment om periodieke zelfcontrole toe te passen. Zo raakte ik vertrouwd met wat normaal, en dus goed aanvoelt. Ik herkende daardoor in een vroeg stadium een onregelmatigheid: een verharding. Cellen die onder invloed van externe factoren gemuteerd zijn, ongehoorzaam zijn geworden, hun gang maar gaan en daardoor een bedreiging vormen voor mijn leven. 


Uit de podcast van Sander Wuister leerde ik dat zintuigen ook geestelijk werken. Het voelen van een knobbeltje waarschuwde mij voor een fout proces in mijn lichaam. Geestelijk voelen helpt ons leugen van waarheid te onderscheiden en ligt daarom dicht tegen de gave van het onderscheiden van geesten aan. Het geeft weer vanuit welke bron iets komt. De Heilige Geest laat het als een soort
early warning weten. Klopt het, of klopt het niet? Om leugen en vervalsing te kunnen herkennen is het nodig vertrouwd te zijn met wat goed en waar is. Dat leren we door voortdurend met Jezus om te gaan en dicht bij Zijn hart te blijven.
 
Juist op die plek, in Zijn nabijheid, mogen we glimpen zien van Zijn Koninkrijk. Al is het vaak maar heel kortdurend, iets buitengewoons dat snel weer verdwijnt,
a fleeting miracle. Een kort moment van vreugde dat een diep doorvoelde maar blijvende impact achterlaat.
 
Toevallig? Ik denk het niet. God geeft precies genoeg
fleeting miracles om ons geloof te versterken en ons te herinneren aan Zijn verlossende werk. Laten we er dagelijks voor kiezen gehoorzame cellen te zijn in het Lichaam van Christus. Dan blijft het lichaam zuiver en mogen we aanspraak maken op Zijn prachtige belofte voor ons. Voor eeuwig met Hem in die paradijselijke nieuwe schepping.

8 mei 2026
Door Timo van 't Ende ‘Timo, er wordt in de gemeente te weinig gesproken over Israël en de eindtijd.’ Een andere opmerking die ik soms hoor in de wandelgangen is: ‘Timo, er is te weinig ruimte voor de Heilige Geest.’ Of: ‘Timo, waarom zingen we zo weinig oude Opwekkingsliederen?’ Of: ‘Timo, ik ben niet zo blij met de gastsprekers… maar jij bent wel goed hoor!’ De gemeente wordt gewogen en de conclusie wordt getrokken: de gemeente is te licht bevonden. De opmerkingen doen mij denken aan mijn opleiding. Tijdens het vak Sociologie lazen we Peter L. Berger, een bekende socioloog uit de twintigste eeuw die veel schreef over secularisatie. Een van zijn observaties bleef hangen: volgens Berger is het kerkelijk landschap veranderd in een marktplein. Zoals supermarkten en restaurants om klanten strijden, zo proberen kerken mensen aan zich te binden. Het woord ‘kerkshoppen’ is inmiddels algemeen bekend. Gemeenten worden met elkaar vergeleken: Nehemia naast Filadelfia, de Ontmoeting, de christengemeente, Bethel of een andere kerk in de buurt. We vergelijken aanbidding, kinderwerk, preekstijl, of onze favoriete thema’s wel langskomen. En zonder dat we het doorhebben, wordt de vraag ‘Wat vond je van de dienst?’ een soort recensie‑moment. Preken worden gewogen, sprekers gerankt. Vorig jaar merkte ik hoe normaal ik dit zelf was gaan vinden. Een groep Cambodjanen was bij ons op bezoek. Ik liep met Bong The door Dokkum (zij paste vroeger op mij toen ik in Cambodja opgroeide). In mijn gebrekkige Khmer vroeg ik haar wat ze vond van de preken van haar voorganger. Ze keek me verbaasd aan. ‘Timo… dat doen wij niet.’ Voor haar was het totaal niet vanzelfsprekend om preken te beoordelen of sprekers te vergelijken. Het was simpel: ‘dat doen wij niet.’ Dat moment bracht me terug naar 1 Korinthe 3. In Korinthe zei men trots: ‘Ik ben van Paulus’ of ‘Ik ben van Apollos.’ Paulus reageert scherp: ‘Het is niet belangrijk wie plant of wie begiet; alleen God is belangrijk, Hij die doet groeien.’ Het gaat niet om de voorkeur voor een spreker. Niet om de stijl. Niet om het kraampje op de markt. Het gaat er niet om de gemeente te vinden die de mooiste aanbidding heeft, de mooiste lijst van sprekers heeft en of jouw lievelingsonderwerpen langskomen. Het belangrijkste is dat je kiest. Er is een redelijke grote groep rondom de volgelingen van Jezus die niet naar een gemeente gaat maar verschillende kerken bezoekt. Wanneer je kerken gaat wegen, zal je erachter komen dat elke gemeente tekortkomingen heeft. De Bijbel vergelijkt de kerk niet met de markt. Er komen allerlei andere beelden langs in de Bijbel. De kerk wordt vergeleken met een bruid die uitkijkt naar de bruidegom (Ef. 5). De kerk wordt vergeleken met een tempel gebouwd tot eer van God (1 Kor. 3). De kerk wordt vergeleken met een lichaam waarvan Christus het hoofd is (1 Kor. 12, Kol. 1). Gelovigen worden in de Nieuwe Testament ook vergeleken met vreemdelingen die onderweg zijn naar het beloofde land (Heb. 3-4). We hebben broeders en zusters nodig die samen met ons onderweg zijn naar het beloofde land. We hebben elkaar nodig om ons, net als de vroege kerk, trouw te wijden aan ‘het onderricht van de apostelen, aan de onderlinge gemeenschap, het breken van het brood en het gebed.’ (Hand. 2:42) We hebben elkaar nodig. Wat we niet nodig hebben, is een of andere beroemde spreker, of een geweldige aanbiddingsband. Wat we nodig hebben zijn broeders en zusters die ons wijzen op Christus. Ik heb mijn broeder en zuster nodig die mij wijst op mijn zonden. Ik heb mijn broeder en zuster nodig die mij wijst op Gods rijke genade. Ik heb mijn broeder en zuster nodig die mij aanwijst waar het werkelijk om gaat. Zodat we uiteindelijk samen als broers en zussen mogen aanschuiven bij het grote bruiloftsfeest (Open 19:7-8).
1 mei 2026
Door Renske Willems Het is broedtijd om ons heen. Vanmorgen ontdekte ik nog een nest jonge merels, bijna op ooghoogte, vlakbij de hokdeur. In de nestkasten die ik in het voorjaar ophing, broeden opnieuw wilde mandarijneenden. In de rietkraag bij de vijver zit een waterhoen verscholen en een wilde eend heeft haar nest gebouwd tussen achteloos opgestapelde takken achter het houthok. In de vogelhuisjes zijn pimpelmeesjes druk in de weer. Wonderlijk hoe elke vogel zijn eigen timing lijkt te kennen. En dan zijn er mijn Wyandotte roodporselein krielkippen. Alle drie tegelijk broeds, terwijl er maar twee legnesten zijn. Dat houdt ze niet tegen; de broeddrang is te sterk. Dus zitten twee hennen opgepropt in één nest. Wat zo mooi begon – eindelijk broedse hennen en acht eieren – werd al snel een weinig succesvolle afvalrace. Na een week kon ik de eieren schouwen: vier waren onbevrucht. Daarna viel er een ei uit het nest, helemaal koud geworden. Van de drie overgebleven eieren raakte er één beschadigd, waarschijnlijk door het onrustige gewroet van twee hennen in een te klein nest. Het spande erom, maar de twee resterende eieren gingen mooi gelijk op. Toen de eerste barstjes verschenen, stond ik op scherp. Binnen 24 uur zou het gebeuren. Na zes uur keek ik voorzichtig. Naast de hen lag een halfopen ei, koud en weggeschoven. Het kuiken was zichtbaar, maar gestorven tijdens het uitkomen. Ik werd er verdrietig van. De hele dag bleef het hangen. Ik veroordeelde mezelf: ik eet vlees, groeide op op een boerderij waar sterfte bij dieren erbij hoorde, en nu was ik sip om een kuiken. Nog één ei. Alles hing ervan af. Het uitkomen vorderde langzaam en net die dag moest ik werken. Gelukkig had Joost vakantie. In mijn lunchpauze belde ik hem met het verzoek te gaan kijken. De schaal was verbrokkeld, maar het taaie vlies zat nog vast. Zonder hulp zou dit kuiken het niet redden. Telefonisch gaf ik instructies. Voorzichtig maakte Joost een stukje vlies los, niet te veel, dat zou het proces misschien verstoren waardoor het kuiken alsnog kon doodgaan. Met die levensreddende actie van Joost in gedachten kon ik ontspannen mijn werkdag afmaken. Thuis zag ik dat er weinig was veranderd. Het kuiken piepte levendig, maar zat nog vast in het ingedroogde vlies. Ik moest helpen. Terwijl ik het vlies voorzichtig losmaakte, hield ik haan Aant scherp in de gaten zodat hij me niet kon aanvallen. Door mijn ingrijpen verliet de hen het nest, tot mijn frustratie. Straks bleef ik zitten met een levend, maar onderkoeld kuiken. Maar na afloop keerde ze terug en schoof haar kuiken weer onder zich. Zou er dan, inmiddels 31 uur na het eerste barstje, misschien toch nog een levend kuiken komen? Ik moest mezelf bedwingen en liet de hen met rust. Toch keek ik die avond nog een keer. Daar zat het: een donzig, levendig kuiken onder de hen. Ik maakte sprongen van blijdschap door de tuin. Joost keek lachend toe en genoot van mijn buitenproportionele geluk. Samen verplaatsten we kip en kuiken naar een afgesloten bak voorzien van hennepvezel, kuikenmeel en water. Hun veilige onderkomen voor de komende weken. Waar ik mij gisteren zo bedrukt voelde, heeft vandaag een gouden randje. Nieuw leven is kostbaar, zelfs als het “maar” een kuiken is. En als dát mij al zo raakt, hoe moet God dan wel niet kijken naar ons? Naar elk kindje dat Hij met zorg weefde. Geliefd, gekoesterd. Een uniek meesterwerk.
24 april 2026
Door Jesse Nutma Misschien is het je weleens opgevallen: als er een gastspreker komt die onze gemeente niet heel geregeld bezoekt, verbaast diegene zich vaak positief over het aantal kinderen, tieners en jongeren in onze kerk. Het voelt voor mij zo normaal om zo’n grote groep jeugdigen om me heen te hebben, dat het bemoedigend is om van iemand van buiten te horen dat dat zo vanzelfsprekend niet is. Daar mogen we dankbaar voor zijn! In de Bijbel wordt de jeugd niet voor niets aangemoedigd. Verschillende jongeren worden er opgeroepen om zich niet te laten weerhouden door hun jonge leeftijd. Denk aan Jeremia (‘Ik ben veel te jong!’ God: ‘Zeg niet dat je te jong bent.’), of Timoteüs, die van Paulus te horen krijgt dat niemand vanwege zijn leeftijd op hem mag neerkijken. Die boodschap lijkt aan te slaan, ook nu nog. In vele christelijke media, podcasts en op andere plekken hoor je vaak dat er juist onder jongeren een nieuwe ‘geloofsopleving’ is, dat steeds meer Gen-Y’ers en Gen-Z’ers zich aansluiten bij kerken en christelijke events bezoeken. En aan events voor jongeren geen gebrek trouwens. Hemelvaart en Pinksteren komen er weer aan, met alle bijbehorende conferenties, en het hele jaar door kun je bijna elk weekend wel naar een aanbiddingsavond voor jongeren (of, in iets hippere, uiteraard Engelse bewoording: Youth Nights). Geweldig dat dit allemaal georganiseerd wordt; ik weet uit eigen ervaring hoe vormend dit kan zijn voor je geloofsleven. Maar … Ik begin me als jongere (daar schaar ik me voor het gemak even onder) wel wat zorgen te maken. Want door al dat jongerengeweld lijkt een belangrijke groep volledig onder te sneeuwen. De schouders waar de jonge generatie op mag staan. Degenen van wie de jeugd mag afkijken hoe geloof in de praktijk werkt. De ervaren krachten. De mentoren. De seniors (of senioren). De boomers. De oude(re)n van dagen. (Ik noem trouwens met opzet geen leeftijd; je (of wellicht passender: u) voelt vaak zelf haarfijn aan tot welke groep je/u behoort.) Gelukkig bemoedigt God niet alleen de jongeren, maar ook de oudere generatie in Zijn Woord. Mijn favoriete vers-voor-ouderen is toch wel deze, uit Spreuken: ‘Grijsheid is een sierlijke kroon, ze wordt gevonden op de weg van de gerechtigheid.’ En ook de jeugd mag die oudere generatie bemoedigen. Want het moge duidelijk zijn: we kunnen niet zonder elkaar. Jong heeft oud nodig om zich aan op te trekken, om van te leren. En oud heeft jong nodig voor nieuwe perspectieven, voor hernieuwd, kinderlijk, oprecht enthousiasme. Wat is het mooi dat onze gemeente alle generaties vertegenwoordigd heeft. En wat zou het mooi zijn als een voorganger aan het begin van zijn preek eens zou beginnen met de constatering: wat mooi, al die jongeren én oude(re)n van dagen in de kerk!
17 april 2026
Door Thea Beukema Eerlijk gezegd ken ik haar niet zo goed, maar “iedereen” weet wie ze is. Ze brengt al jaren de post, kent ongetwijfeld veel mensen. De één wat langer dan de ander, maar het mooiste is: ze groet iedereen hetzelfde. Ze groet met zoveel energie en enthousiasme dat het lijkt alsof je haar beste vriend bent en ze je al járen kent. Prachtig, wat een uitstraling! De eerste keer dat ik haar zag, was ik verbaasd en vroeg ik me af of ze misschien dacht dat ik iemand anders was. Tot ik erachter kwam dat ze iedereen op die manier groet. Wat een schril contrast met mijn ervaringen. Een tijd geleden luisterde ik naar zo’n lekker kort stukje van Max Lucado waarin hij vertelde dat, als je iemand groet, je daarmee zegt dat diegene het waard is om gegroet te worden. Daarmee straal je dus een heel klein stukje van Gods liefde uit. Dus … ik mensen groeten! (Alleen niet in een drukke stad…). Dat deed ik anders ook wel, maar nu is het anders. Nu zeg ik: ‘Hoi!’, maar denk ik: jij bent waardevol. Het raakt me als ik zie dat zoveel mensen zich afsluiten van de buitenwereld met oortjes en koptelefoons. Het ergste vind ik nog dat mensen (ook zonder oortjes!) me recht in het gezicht aankijken zonder ook maar een spier te vertrekken als ik ze groet. Zo hard, zo koud. Tóch heb ik er inmiddels een gewoonte van gemaakt. Ik heb niet het enthousiasme van de postbode, maar wel Gods liefde in mijn hart. ‘Even in just a smile they can see the Father’s love’
10 april 2026
Door Nico Zwart Ik heb een voorbeeld in de kerk, iemand op wie ik meer wil lijken. Misschien hebben we allemaal wel zo iemand, want bewust of onbewust zijn we voortdurend aan het vergelijken, al doen we dat vaak op de verkeerde manier. Meestal zetten we ons namelijk tegen iemand af. Je ziet iemand het verkeerde pad inslaan en in plaats van diegene snel aan te schieten om liefdevol te behoeden, snellen we naar iemand anders om er heerlijk over te roddelen. Ondertussen voelen we ons beter, omdat wij minder grof in de mond zijn, ons leven beter op orde hebben, trouwer de Bijbel lezen of een mooiere taak in de gemeente hebben. We spreken het niet uit, want dat betaamt een goede christen niet te doen, maar ergens denken we het wel. Het kan bijna niet anders dan dat God meer van jou houdt dan van die ander. Of andersom trouwens. Je vergelijkt jezelf met iemand die verder lijkt te zijn met Jezus. Iemand die zo mooi bidt tijdens het open gebed in de kerk, of altijd de juiste woorden vindt als er een getuigenis gedeeld mag worden. Je kringgenoot die elke ochtend vroeg opstaat om stille tijd te houden, terwijl jij je wekker nog vijf keer snoozet en met moeite je stinkende nest uitkomt. Met de laatste haren en snaren ben je net op tijd. Het kan bijna niet anders dan dat God minder van jou houdt dan van die ander. Je snapt natuurlijk dat dit niet de manier is waarop we naar onze broers en zussen moeten kijken. Maar er zijn ook andere manieren. Iedereen bewandelt zijn eigen weg met Jezus. Matthias Deleu liet dat een tijdje geleden mooi zien met zijn cirkel. In mijn geval ben ik reformatorisch opgevoed. Niets mis mee trouwens. Wat zeg ik; ik ervaar het als een rijke zegen. Bijbelverzen, psalmen, namen, feiten en de hele catechismus zijn er bij mij ingestampt. Hoe heilig God is, heb ik goed geleerd. De relatie daarentegen weer wat minder. Je kunt niet alles hebben. Maar gelukkig mag je onderweg leren. Hoe ik groot ben geworden, heeft ervoor gezorgd dat ik een bepaald vuur in mij heb, alleen zie je dat in de kerk nauwelijks terug. Zet mij in een oranje shirt voor het Nederlands elftal en ik schreeuw het behang van de muur. Mocht je ooit trouwen, dan dans ik tot de lichten aangaan op je bruiloft. En hoewel alles in mijn lichaam erom vraagt, in de kerk beweeg ik amper. Ik juich niet en aan mijn handen hangen twee zware zakken zand, waardoor ik ze de lucht niet in krijg. En daarom kijk ik elke zondag vol bewondering naar Klaas. Hij staat als eerste bij het zingen, z’n handen in de lucht, hij dartelt ervan. Met de meest prachtige glimlach op zijn gezicht.  Ooit …
3 april 2026
Door Tikva Smid - van der Mark De meest gelukkige momenten die ik in mijn leven heb beleefd, waren op een paardenrug. Met een bloedgang over het strand, de wind in mijn gezicht, het geklepper van de hoeven op het harde zand onder me, de zon in mijn gezicht, tranen over mijn wangen (of, door de snelheid, in mijn oren) en dan helemaal de teugels loslaten en volledig vertrouwen op mijn paard. Puur geluk! Ik ben me er onlangs bewust van geworden dat ik best wel een controlfreak ben. Niet per se iets om trots op te zijn, maar wel een eyeopener. Ik las een stukje over mensen die altijd ergens minimaal vijftien minuten te vroeg zijn. Zulke mensen zouden niet stipt, maar angstig zijn. Ze calculeren alles wat er onderweg mis kan gaan van tevoren al in en komen daardoor ruim op tijd aan, maar in plaats van rust geeft het juist spanning, omdat ze vervolgens weer moeten wachten. Dat ben ik. Ruim op tijd weggaan en uitgaan van het ergste, dan kan het nooit tegenvallen. En dat zorgt inderdaad nooit voor rust. Mensen die net vijf minuutjes te laat komen schijnen veel relaxter te zijn. Persoonlijk word ik dan weer helemaal niet blij van die mensen, want die maken dat ik twintig minuten op ze moet wachten, in plaats van die vijftien minuten die ik al te vroeg was. Ik ben me bewust van het feit dat dat me een minder leuk mens maakt. En misschien ook een beetje jaloers... Ik kan er ook maar moeilijk mee omgaan als ik geen invloed heb op een situatie en lijdzaam toe moet kijken en af moet wachten tot dingen verbeteren. Ik wil iets dóén! De schouders eronder! Aanpakken! Voorkomen dat het (helemaal) misgaat! Maar soms is er helemaal niets wat we kunnen doen. Soms moeten we wachten. Soms kan alleen God het doen. Het enige wat wij dan kunnen doen is bidden en loslaten. En vooral dat laatste vind ik zó moeilijk! Loslaten... Terwijl ik op de gelukkigste momenten in mijn leven toch letterlijk de teugels losliet. Vasthouden en controle houden maken mij eigenlijk helemaal niet gelukkig. Het lukt ook vrijwel nooit. Daarom wil ik proberen om de teugels weer los te laten. Of ze in ieder geval niet telkens weer terug te pakken. Dat is nog wel even een dingetje... Toch wil ik het leren. Ik wil leren om gewoon te luisteren naar het geklepper van de hoeven en met de wind in mijn gezicht en soms de tranen in mijn ogen, volledig te vertrouwen op God en proberen te genieten van de rit.
27 maart 2026
Door Matthias Kuiterman Sinds mijn tienerjaren heb ik al een interesse in geschiedenis. Zo kwam het dat ik een tijdje geleden een fragment bekeek van de inhuldiging van koningin Juliana in 1948. Tijdens haar inhuldigingsrede sprak de kersverse koningin haar moeder en voorganger, koningin Wilhelmina, toe. Juliana sprak: ‘Ik zelf en allen hadden altijd het gevoel dat ge er waart, als een rots. Toen de stormen kwamen, merkte men dat pas goed. Want die rots stond daar onwrikbaar: Saevis tranquillus in undis, rustig te midden der woelige golven .’ Koningin Juliana sprak haar moeder toe, die in een periode van vijftig jaar Nederland door twee wereldoorlogen heen had geleid. Hoewel over de rol van Wilhelmina in deze oorlogen nogal wat discussie bestaat, stond voor haar dochter in ieder geval vast dat deze koningin als een rots het land door de stormen heen had geleid. Toen ik hier later nog eens over nadacht, moest ik denken aan de gelijkenis van Jezus over de wijze man die zijn huis bouwde op een rots, en de dwaze man die zijn huis bouwde op het zand. De kern van deze gelijkenis: wie Christus als zijn fundament heeft, kan alle stormen van het leven doorstaan. Vroeger of later krijgen we allemaal in ons leven met stormen te maken. Juist op die momenten komt het erop aan. Durven we op Jezus te vertrouwen? Dat klinkt gemakkelijk als het zo geschreven staat, maar dat is het zeker niet. Ik kan erover meepraten. Maar waar ik ook over kan meepraten, is de rust die je ervaart wanneer je Jezus betrekt bij de stormen in je leven. Koningin Juliana typeerde haar moeder als een onwrikbare rots. Maar aardse koningen komen en gaan, en ook aan de regeerperiode van Wilhelmina’s achterkleinzoon (Willem-Alexander) komt ooit een eind. Maar de Koning der koningen blijft. Hij laat het werk waaraan Hij begonnen is niet los. En als wij ons leven op dat fundament bouwen, dan zorgt Hij ervoor dat wij in de stormen overeind blijven.  Onze Rots, rustig te midden van de woelige golven.
20 maart 2026
Door Timo van 't Ende Samuel Aklilu Mezmur. Ik weet niet hoe je zijn achternaam soepel kunt uitspreken, maar ik wil jullie toch voorstellen aan Samuel. Afgelopen weekend was ik op bezoek bij mijn schoonfamilie in België. Wanneer ik mijn schoonfamilie bezoek, probeer ik ook even de twee Nehemianen te bezoeken die op de ETF in Leuven Theologie studeren (Rudmer van der Bijl en Naomi van Delden), maar afgelopen weekend waren zij allebei in Friesland. We hadden dus tijd vrij, waardoor Lies en ik besloten een vriend van mij te bezoeken: Samuel. Ik heb met Samuel Theologie gestudeerd aan de ETF. Hij komt uit Ethiopië en heeft een grote liefde voor Gods woord. Dit blijkt ook wel uit zijn besluit om door te studeren en een doctoraat te halen. Dat houdt in dat hij de komende zes jaar, voor minder dan het minimumloon, bezig is met onderzoek naar de Bijbel. Hij onderzoekt hoe de metafoor van wortelen en ontwortelen wordt gebruikt door Jeremia, de voormalige profeten (Jozua – 2 Koningen) en door Paulus. Ik vind het heel interessant en kan wel uren met Samuel praten over de Bijbel, maar we hadden een andere gespreksonderwerp die middag. Lies en ik wilden graag zijn vrouw leren kennen. Zij was vorige week net gearriveerd in België. We hadden het zaterdagmiddag vooral over hun bruiloft in Ethiopië. Lies en ik waren uitgenodigd voor de bruiloft, maar het lukte ons niet om de reis te maken naar Ethiopië. We kregen wel een beetje FOMO toen we de foto’s zagen van de Ethiopische bruiloft (oftewel: spijt dat we niet zijn geweest). Zo’n bruiloft ziet er anders uit dan wij gewend zijn. Er worden geen papieren ondertekend in het gemeentehuis, er is geen dansfeest en geen groot feestmaal met familie en vrienden. De dag bestaat vooral uit twee dingen: foto’s maken en de kerkdienst. Dan denk je misschien dat je snel klaar bent op die dag, maar dan schat je de Ethiopiërs verkeerd in. Foto’s maken duurt al lang, maar wat nog veel langer duurt dan bij ons, is de kerkdienst.  Om je een beetje mee te nemen, lopen we de dienst even door. Het begint met een openingsgebed. Vergelijkbaar als bij ons, maar het openingsgebed duurt bijna een uur lang! Een uur lang wordt er samen gebeden. Na een paar liederen wordt de preek gehouden, die duurt ook bijna een uur. Daarna vindt het aanbiddingsblok plaats. Die duurt niet drie tot vier liedjes, zoals bij Nehemia, maar bijna drie uur lang. Het grootste kenmerk van die aanbidding, is feest. Er wordt gedanst, gejubeld en gezongen. Ze nemen de opdracht uit Psalm 95:1 heel serieus: ‘Kom laten wij jubelen voor de HEER’. Of Psalm 81:2: ‘Jubel voor God, onze sterkte, juich voor de God van Jakob’. Of Psalm 100:1: ‘Juich de Heer toe, heel de aarde’. Ze zingen het uit, want God is het waard om te bejubelen. Hij die de dood heeft overwonnen, Hij die trouw is tot in eeuwigheid, Hij die liefde is, Hij die heilig is, Hij die rechtvaardig is, Hij die machtig is, Hij die waardig is om te ontvangen alle glorie en eer. We mogen samen met de engelen blijven zingen dat Hij waardig is. Zoals het in Openbaringen 5:12 staat: ‘Met luide stem riepen ze: ‘Het lam dat geslacht is, komt alle macht, rijkdom en wijsheid toe, en alle kracht, eer, lof en dank.’ God komt toe alle aanbidding, alle eer. Het aanbidden van God door Friezen ziet er natuurlijk anders uit dan bij Ethiopiërs. Desondanks blijft de opdracht hetzelfde: jubel en vier feest. Daar hoef je niet mee te wachten tot zondagochtend, daar kunnen we nú al mee beginnen
13 maart 2026
Door Renske Willems Het is zaterdag en de hele dag is het gezellig druk met de familie Spaeth in huis. Zoals altijd zorgen we dat het hen aan niets ontbreekt: koffiekoeken bij de koffie en een lunch die bijna feestelijk genoemd kan worden. Maar vandaag is het anders. Vandaag is het 24‑uursgebed met vasten, en dus gaan al die lekkernijen aan mij voorbij. Pas als je niets neemt, valt op hoe groot de rol van eten eigenlijk is. Hoe vanzelfsprekend het is om gastvrijheid in hapjes en schalen te gieten. Terwijl de zalm en brie langskomen, denk ik aan Jezus in de woestijn. Zijn woorden klinken ineens heel dichtbij: “Want in de Boeken staat dat eten niet het belangrijkste is, maar dat de mens ook leeft van ieder woord dat God spreekt.” (Mattheüs 4:4) Maar hoe werkt dat dan, leven van Gods woorden? Misschien is dat waarom ik samen met een groep vrouwen het Oude Testament in een jaar probeer te lezen. Als Zijn woorden dagelijks brood zijn, wil ik daar elke dag van eten. ’s Avonds stap ik de bidruimte binnen. Het kruis met de doornenkroon, de sjofar, de steen met Bijbeltekst, de namen van God aan de muur, alles ademt eerbied. De gebeden volgen elkaar op als vanzelf: voor de regering, voor het land, voor de gemeente, voor zieken. Het voelt als thuiskomen, als eenheid. Een plek waar kwetsbaarheid veilig is en waar we God vragen te voorzien in wat wij niet kunnen veranderen. Daar, in die rust, komt de spiegel van het vasten. Het dwingt me te kijken naar mijn leven. Leef ik zoals Romeinen 12:1 beschrijft? “Laat uw lichaam een levend offer zijn, heilig, zodat het een vreugde voor God is. Dat is de beste manier waarop u God kunt dienen.” En 1 Korintiërs 6:19 klinkt ook: “Of weet u niet dat uw lichaam een tempel is van de Heilige Geest? ... U bent niet van uzelf! God heeft u tegen de allerhoogste prijs gekocht! Gebruik daarom ieder deel van uw lichaam om God eer te geven.” Ik weet waar het bij mij wringt: zelfzorg. Wanneer spanningen in de nabije kring oplopen, glijd ik ongemerkt weg in destructieve patronen. Nachten waarin ik pas om twee uur naar bed ga. Lege chipszakken, wikkels en lege verpakkingen in de prullenbak die getuigen van een snackaanval en waar ik ’s ochtends balend van wakker word. De dagen erna zit ik gevangen in het alles-of-niets denken: “Het is nu toch al mislukt, het maakt nu toch niks meer uit.” Het is een cyclus waarin schuld en schaamte elkaar voeden, en voor ik het weet ben ik een week verder en voel ik me uitgeput, lichamelijk én geestelijk. Daarom voelt dit etmaal zonder eten als een reset. Een onderbreking van een patroon waarin ik mijzelf dreig te verliezen. Want diep van binnen weet ik: mijn lichaam is een tempel van de Heilige Geest. Ik ben gekocht, geliefd, kostbaar. En dus mag mijn lichaam zorg, rust en goede keuzes ontvangen. Niet uit egoïsme, maar uit rentmeesterschap. Als een vorm van aanbidding. Daarom bid ik om kracht. Om wijsheid en zelfbeheersing. Om hulp, zo te kunnen leven zoals God het bedoeld heeft, elke dag opnieuw.
6 maart 2026
Door Jesse Nutma ‘Vandaag besteld, vandaag in huis.’ Met één klik op de knop kun je ervoor zorgen dat er later op de dag een bestelbus langsrijdt met wat jij maar wilt: kleding, witgoed, een maaltijd, noem maar op. Niet over een week, niet morgen, maar vandaag. Ik wil het nu, ik krijg het nu. De maatschappij leert ons dat alles meteen mogelijk is, dat onze behoeften instant vervuld kunnen worden. Alles naar wens van de veeleisende mens. En daarmee leert de maatschappij ons ook vakkundig af om te wachten. Neem de zelfscankassa, dé oplossing voor als de rij bij de kassa tot in de gangpaden staat. Of nou ja, heel eerlijk, zelfs als er helemaal geen rij staat en er een caissière zielig en verveeld zit te wachten op een klant, kies ik soms alsnog voor de zelfservice. Shame on me. Ik heb nog veel te leren. De versnellende maatschappij plus mijn licht ongeduldige inborst maakt me soms gefrustreerd tegenover een God die alle tijd lijkt te hebben en te nemen. (Of die ongeduldige inborst komt doordat ik een product ben van diezelfde maatschappij, of door erfelijke genen, mag u zelf bepalen.) Meer dan eens keer ik me tot God met de vraag: Waar wacht U op? Waar wacht U op? Ik heb nú een nieuw onderwerp voor een column nodig. Ik heb nú nieuwe energie nodig. Dit bevriende stel heeft nú herstel nodig. Andere vrienden hebben nú duidelijkheid nodig. Wij hebben nú hoop en perspectief nodig. De kerk heeft nú een nieuw, groter gebouw nodig. Ik heb nú … nodig. U kunt toch genezen, waarom geneest U niet nú? U kunt toch oorlogen stoppen en vrede brengen, waarom niet nú? Maar gelukkig zijn wij God niet. Stel je eens voor, dat we volledig op onszelf waren aangewezen. Dat we alle inspiratie, kracht en kunde helemaal uit onszelf moesten halen. Dat we zelf verantwoordelijk zijn voor ons eigen geluk, en daarmee dus ook persoonlijk falen als dat onszelf niet lukt. Godzijdank werkt God anders, doet Hij het op Zijn wijze manier. Op Zijn tijd. Naar Zijn wil. En ja, dat blijft soms frustrerend, omdat je de uitkomst (nog) niet ziet. David zat ook in de wachtkamer bij God, blijkt uit Psalm 27. ‘Wacht op de Heer’, schrijft hij. Gaat dat vanzelf, dat wachten? Nee. David schrijft dat daar dapper- en vastberadenheid voor nodig zijn. En geduld, als je het mij vraagt. Heel. Veel. Geduld. Waar wacht jij nog op?